Hoe werken oorwormen
(die liedjes, melodietjes die je maar niet uit je hoofd krijgt)? Een
beetje als de de artikels daarover, bedenk ik nu. Een paar weken
geleden las ik er een artikeltje over in een buitenlandse
webpublicatie en sindsdien kom ik het overal tegen: in de Vlaamse
papieren kranten en langs alle kanten van de sociale media.

Ikzelf schreef
ergens midden de jaren ‘90 een artikeltje in Graffiti Magazine dat
daar eigenlijk ook over ging. Ik herinner me dat ik in het
tijdschrift BBC Music (denk ik) iets gelezen had over een
neurologisch onderzoek naar de receptie van muziek.

Het kwam erop neer
dat men extra hersenactiviteit, gepaard gaande met een soort
‘jadadde/jawadde-gevoel’ kon waarnemen telkens de muziek net dat
ietsje afweek van de te verwachten
melodie/instrumentarium/orkestratie/…-structuur.

De artikels die nu
de ronde doen, vertellen hetzelfde: een oorworm bevat iets afwijkend
waardoor je het melodietje maar blijft herhalen in je hoofd; ergens
in de hoop het ‘gesnapt’ te krijgen.

In het Graffiti
Magazine-artikel had ik het over een aantal zaken die het
neurologisch onderzoek helpt verklaren.

Om ‘afwijkingen’
te kunnen herkennen, moet men een verwachtingspatroon hebben. Men
moet weten wat er in de lijn van de verwachtingen ligt om op te
merken dat hetgeen men hoort, afwijkt. Dat veronderstelt dat men
bekend moet zijn met het soort muziek, het genre en verklaart zo dat
je de muziek pas snapt als je er naar hebt leren luisteren. Hoe beter
je de muziek kent, hoe subtieler de afwijkingen mogen zijn om ze op
te merken en de subtiliteit die een componist zich kan veroorloven
hangt dan weer samen met de complexiteit van de muziek.

Dit laatste
verklaart op zijn beurt dat ‘simpele’ muziek misschien wel tot
snel/breedgedragen begrip leidt, maar niet ver draagt. Bij eenvoudige
structuren kunnen de subtiliteiten weinig subtiel zijn want dat
veronderstelt complexiteit. Als er weinig diep-gang is, is er weinig
in-zicht. Oppervlakkigheid levert alleen een zicht op -dat kan best
bekoorlijk zijn- , geen in-zicht of uitdaging.

Er speelt verder nog
iets anders. De bevindingen duiden ook op een verband tussen traditie
en vernieuwing. Iets dat al te zeer afwijkt van het
verwachtingspatroon, wordt niet meer herkend als afwijking, maar als
een regelrechte storing. Om het toch geïntegreerd te kunnen krijgen
moet het gehele referentiekader veranderd of vervangen worden; jouw
perspectief t.o.v. wat er gebeurt moet veranderen.

Dat is hetgeen er
gebeurt in een revolutie en je kan er verschillend op reageren. Je
schuift het terzijde, je keert je ervan af. Je ontkent dat er wat
gaande is, of je ontkent dat wat er gaande is, iets (de moeite waard)
is.

Of: je gaat erin
meer, je gaat de uitdaging aan; je verandert je perspectief
(drastisch) en je bouwt een nieuw referentiekader op°.

In dit laatste geval
wordt je (met nadruk op worden) het subject van de revolutie en help
je de revolutie vorm geven/realiseren. Ergo: het gebeuren van de
revolutie moet gerealiseerd worden.

Er is die keuze, die
afhangt van je ingesteldheid, durf, lef, moed… maar ook van de
noodzaak. In welke mate met name is de zich aandienende ‘afwijking’
pertinent genoeg; in welke mate is de revolutie onafwendbaar? In
welke mate is het oude referentiekader houdbaar?

Op een bepaald
moment loopt het muzikale straatje dood; het maatschappelijke
straatje; het persoonlijke straatje…

Ook op persoonlijk
vlak noopt een afwijking groot genoeg, een storing, een botsing met
de realiteit, het besef in een doodlopend straatje te zitten, in een
vicieuze cirkel te draaien, …, tot een radicale verandering van
referentiekader/perspectief. Of ontken je en zing je het nog even
uit?

___________________________

Noot.

° Een
referentiekader dat wel plaats biedt aan hetgeen er gebeurt, het
geïntegreerd heeft. Merk op dat in deze het het kunstwerk is dat
zijn publiek maakt, zoals het de revolutie is die zijn
revolutionairen maakt.