Op 17 januari
verjaart Alain Badiou; hij wordt 79. Hij is roman-, en toneelauteur,
wiskundige en wellicht de belangrijkste hedendaagse filosoof.. én
luid en duidelijk communist.

In zijn ogen is het
postmodernistisch, relativistisch gedreun niets meer dan het
theoretiseren van impotentie; een ideologie van de onmacht. Hij gaat
voor waarheid, absoluut nog wel!

Maar pas op, Badiou
is niet drammerig, zijn ontologie bijvoorbeeld werkt hij uit in
wiskundige termen.

Ik ga hier niet zijn
theorie uiteen zetten. Hoogstens wat opmerkelijke punten aangeven.

De waarheid is
absoluut en dwingend en helemaal niet democratisch (het is de
filosoof overigens die in deze het onderscheid duidelijk moet maken
tussen mening en waarheid).

De waarheid slaat
een gat; the end of the world as we know it. En al komt de waarheid
niet van buiten (immanent) en is ze ontologisch eerst; in de tijd
komt ze later. Ze moet gemaakt, geproduceerd, gerealiseerd worden en
pas dan blijkt ze ‘altijd’ al geweest te zijn (retroactief dus
eigenlijk). Kan na verliefd geworden zijn, het ooit nog dat je het
niet had geworden? Kan na Picasso, het cubisme ooit nog niet geweest
zijn? Kan je na Darwin te hebben begrepen, ooit nog creationist
worden? Na Freud, het onbewuste ontkennen?

Er zijn vier velden/
terreinen waar er waarheid kan zijn: de wetenschap, de politiek, de
liefde en de kunst. Op een of meerder van die terreinen ontstaat er
een radicale (immanente) breuk met de status quo: geen (nog geen)
revolutie, maar een evenement die mogelijkheden opent.

Het start een
waarheidsprocedure waaruit dan -als het goed gaat- de waarheid te
voorschijn komt (maar niet in die zin dat die waarheid daar al zat te
wachten om ontvouwd te worden; zoals gezegd: ze moet nog gemaakt
worden en zal dan pas blijken ‘altijd’ al geweest zijn).

De waarheid in de
politiek bijvoorbeeld, is alles behalve de democratie (het moet maar
dictatuur zijn als het nodig zou blijken, terreur desnoods), maar de
formele radicale democratie van de absolute gelijkheid, “waarvan de
naam Communisme is”.

Daarzonder (nl.: de
absolute gelijkheids-idee realiseren in de waarheidsprocedure van het
politieke) is geen emancipatorische politiek mogelijk; eigenlijk
zelfs geen politiek, want dat zou alleen maar particularistische
belangenverdediging zijn°.

Emancipatie is er
overigens alleen maar als die universeel is, als de uitgeslotene
ingesloten wordt, steeds weer, steeds opnieuw en verder
(procedureel).

De absoluut
atheïstische Badiou ziet het communistisch idee al bij de
slavenopstand van Spartacus en het universalisme bij de kerkvader
Paulus. Het was Paulus die het water in wijn veranderde (geen gezeik,
iedereen rijk; iedereen wijn!), de lokale sectaire christelijke
boodschap universaliseerde.

Als je in Badious
ogen bij het evenement van een breuk kunt spreken, dan niet als het
over revolutie gaat. Dat is geen irrationele uitbarsting, maar een
rationele gevolgtrekking: het ingaan en realiseren van de
mogelijkheden die met die breuk zijn ontstaan.

Bij het ontstaan en
verloop van een waarheidsprocedure is het bovendien kwestie van
positie kiezen: als een reactionair de mogelijkheden ontkennen alsof
je het duveltje weer in z’n doosje zou kunnen krijgen, of
revolutionair subject worden (met nadruk op worden gedurende die
procedure) en de mogelijkheden helpen uitwerken. Maar ‘kiezen’ is
wat slecht uitgedrukt. Aangezien de dwingendheid van de waarheid, is
het eerder een kwestie van zich ernaar te schikken. Het kieselement
zit hem ergens in de tijdruimte tussen het evenement en de waarheid
die ‘altijd’ al geweest zal zijn, retroactief en retroactief zal
die tijdruimte dus ook niet hebben bestaan…

Badious ontologie
(zijnsleer) is wiskundig, gebaseerd op de verzamelingenleer met name.
Zoals de verzameling van alle verzamelingen niet kan bestaan omdat
die zichzelf ook zou moeten bevatten en je dus met nog een grotere
verzameling zou moeten afkomen, die zichzelf ook weer zou moeten
bevatten zodat je met een nog grotere verzameling zou moeten afkomen
die, etc…, zo kan het Alles (het Al) niet bestaan, maar het is wel
oneindig want er is altijd nog een grotere verzameling mogelijk (die
echter ook weer niet Alles zou omvatten etc…). Hij spreekt van het
niet-Alles. Vandaar komt dus het idee van de procedurele aard van de
waarheid, ondanks het absolute karakter ervan; de procedure is altijd
gaande…

Vandaar ook zijn
dialectische benadering van elke situatie (de situatie waarin we
zitten, waar het evenement kan plaatsvinden), die laat zich kennen
door hetgeen het uitsluit, dat echter altijd ingesloten is in de
situatie (het is er onderdeel van, het is er een van de kenmerken
van). Denk bijvoorbeeld aan het kastensysteem; dat moet per definitie
een groep van paria’s hebben die ervan uitgesloten zijn.

Noot:

° Merk op dat dat
de situatie is waarin we ons bevinden: die van het particularistische
belangenverdediging in een status quo; geen politieke maar een
post-politieke (en tevens pre-politieke) situatie vol post-truths en
meningen…