Enige tijd geleden
passeerde op een Facebookforum over tuinieren een ‘recept’ voor
‘droge bouillon’. ‘Zonder kleur, geur of smaakstoffen’
luidde het commentaar. Fantastisch toch?

Ten eerste: ‘droge
bouillon’, is dat niet gewoon ‘een hoop kruiden’? (Ja dus). En
‘zonder kleur-, geur- en smaakstoffen’? Ik reageerde met de vraag
waarvoor het dan moest dienen? Per definitie zijn kruiden -en
bouillon- kleur-, geur- en smaakstoffen. Iemand antwoordde nog dat
bedoeld was dat er geen kleur-, geur-, of smaakstoffen waren
‘toegevoegd’. Maar opnieuw: het is per definitie ‘toegevoegd’;
het IS toevoeging.

Er was op dat forum
al eens een bericht gepasseerd over het een of ander ‘zonder
chemiek’. Als ik antwoordde dat zelfs water ‘chemiek’ is (H2O)
en dat gif in de dosis zit (zelfs in de dosis van zogenaamde
‘chemiekloze natuurlijke producten’), was het hek van de dam;
zelfs de biologisch gekweekte gemengde haag aan de artificiële
sloot aan de rand van mijn kunstmatig aangelegde en -onderhouden
ecologisch verantwoorde moestuin moest er aan geloven.


En ik ken nog een
paar van die alternaïve redeneringen. Dat tuinieren mijn hobby zou
zijn bijvoorbeeld. Larie: ik kweek groenten (en fok kippen en
konijnen). Dat ik graag wandel. Larie, ik rij weliswaar niet graag
met de wagen, maar ik ga niet wandelen; ik ga te voet! Ik ga te voet,
ergens naartoe! Dat is het punt. Ik zou zelfs ‘fietsfanaat’ zijn
omdat ik (alleen maar) een ligfiets heb, met aanhangwagen overigens.
Ik fiets niet; ik moet ergens zijn, dat is alles.

Ik zou zelfs van
alternatieve muziek houden. En ook dat ontken ik: ik hou niet eens
van muziek, laat staan ‘alternatieve muziek’. Ik hou me bezig met
muziek en kunst in het algemeen niet omdat ik dat graag doe, maar om
te begrijpen; het is een kwestie van waarheidsvinding en
betekenisvorming. Het is van moetes!

Ik ben geen klant
van de wellness-industrie; ik denk en dan nog het liefst op basis van
argumenten die zichzelf niet opeten, hoe bio-eco die ook gecultiveerd
worden.

Het integreert me
wel, dat ‘zonder-chemiek-denken’. Hoe moet dat denken gedacht
worden?

Als
zuiverheidszucht, me dunkt; en metafoorloosheidsverlangen. Het zoeken
naar het kantiaanse ding-an-sich. Ten koste van betekenis, dat
spreekt, maar authentiek en één. Uiteindelijk is het wellicht de
zoektocht naar die éénheid die men zichzelf zou kunnen noemen
(zoek, vind en cultiveer je zelf; vandaag met korting en je krijgt er
tweede bij voor dezelfde prijs; dat is de paradox natuurlijk). Het is
een fantasma van het gespleten (en in die zin onbestaande) subject.
Het is een vlucht uit het leven; doodsdrift, om zich toch maar ‘alive
(and kicking)’ te voelen.

De kunst (vanaf 2de
helft 20e eeuw) draagt er de sporen van: de performance,
de action, het concept, het eigen lichaam: het hét zo echt als
mogelijk (onmogelijk dus).

Dat is ook zo
interessant aan kunst (en aan de alternaïve larie): de
onmogelijkheid ervan; het is als thuiskomen bij m’n eigen
onmogelijke zelf.